Tijdens cognitieve gedragstherapie leren kinderen welke invloed hun gedachten, gevoelens en gedrag op elkaar hebben. Ze leren zich af te vragen of hun (negatieve) gedachten over zichzelf en anderen wel kloppen, hoe ze zich hierdoor voelen en gedragen en wat de gevolgen daarvan zijn. Om de juistheid van hun gedachten en alternatieven (positieve, helpende gedachten) te ontdekken gebruiken we het 5 g – schema:

Gebeurtenis –> Wat is er gebeurd?

Gedachte –> Wat dacht je?

Gevoel –> Wat voelde je?

Gedrag –> Wat deed je?

Gevolg –> Wat gebeurde er toen?

Een voorbeeld van een negatief 5 g-schema: Joost en Peter lopen ‘s ochtends over het schoolplein naar de ingang. ‘Hoi,’ zegt Joost vrolijk tegen Peter, maar Peter kijkt boos voor zich uit, zegt niets terug en loopt hem stug voorbij. Joost denkt dat Peter hem stom vindt, hij leek niet blij Joost te zien en zei niet eens iets terug. Joost vindt het helemaal niet leuk dat Peter zo stug deed terwijl hij juist zo aardig gedag tegen hem had gezegd. Joost voelt zich hierdoor teleurgesteld, verdrietig en boos, hij voelt een knoop in zijn maag, zijn hart bonst en het liefst zou hij ergens tegenaan schoppen. Als hij de klas in komt vraagt de juf of hij als laatste de deur dicht wil doen. Doordat Joost zich zo rot voelt doet hij de deur véél te hard dicht en zegt de juf op waarschuwende toon: ‘Doe dat nog maar een keer en nu zachtjes.’ Joost doet wat hem gevraagd wordt, maar omdat de juf nu ook al niet blij met hem is voelt hij zich dubbel zo rot. Als Joost naast Tom gaat zitten is Tom blij zijn vriend te zien en zegt: ‘Hoi!’. Joost zegt niets terug en staart boos voor zich uit.

Een voorbeeld van een positief 5 g-schema: Tom zit te appen op zijn telefoon maar als Joost naast hem komt zitten kijkt hij op. Hij is blij zijn vriend te zien en zegt: ‘Hoi!’. Joost kijkt boos en zegt niets terug. Tom weet niet waarom Joost boos is en waarom hij niets terug zegt. Hij had zijn vriend liever vrolijk gezien en vindt het naar voor hem dat hij niet goed in zijn vel zit. Hij voelt medelijden en probeert erachter te komen wat er aan de hand is door te zeggen: ‘Wat kijk je boos, is er wat gebeurd?’ Joost gooit zijn tas met een dreun op de grond, ploft met een zucht neer en vertelt hem over de stugge Peter en de corrigerende juf. Tom is de buurjongen van Peter en had toevallig gezien dat Peter die ochtend straf kreeg. Hij moest van zijn vader een week lang zijn telefoon inleveren. Dit vertelt Tom aan Joost. Het gezicht van Joost klaart op. Geen wonder dat Peter chagrijnig is, denkt Joost bij zichzelf. Hij is opgelucht dat Peters stugheid niet aan hem lag die ochtend en vindt het heel erg balen voor Peter dat hij zolang zijn telefoon kwijt is. Hij vraagt zich ineens af waarom hij niet gewoon zelf op het schoolplein aan Peter had gevraagd wat er aan de hand was. Hij neemt zich voor om hem in de pauze een beetje op te vrolijken, die arme Peter kan wel een oppepper gebruiken.